De andere kant. Waar niemand komt
♦♦♦
Hoofdstuk I
Die dag had zich voor het kleine huis een lange rij belangstellenden
gevormd; grijze wolken hingen stil in de lucht.
Richard en zij stonden op het smalle stenen pad dat naar
de stulp leidde. Met de regelmaat van de klok opende de
voordeur en liet een strak geklede man mensen binnen,
die even erna weer naar buiten kwamen, de rij wachtenden
negerend. Richard en zij waren met de bus gekomen.
Gelukkig was het droog.
Ze had sterk getwijfeld over het huis, waarvan de tuin er
verwaarloosd bij lag, overwoekerd door onkruid, gelegen
aan de rand van een dorp van tienduizend inwoners, dicht
bij een fabriek, die sinds de productie naar elders was verdwenen,
verlaten was. Er vlogen vleermuizen rond in de
overweldigende ruimte, zo werd gezegd. Een alternatief
was er niet. Ze moesten hun huurappartement verlaten;
binnen drie maanden werden ze geacht er te vertrekken.
De verhuurder had zijn appartement dringend nodig ‘voor
eigen gebruik’, zo had hij hun in een brief medegedeeld.
Merel wist van zijn haperende huwelijk. In een open bui
had hij bij het ophalen van de huur Merel verteld over zijn
vrouw, die keer op keer vreemd was gegaan. Steeds had hij
haar vergeven, maar deze keer was het genoeg geweest. Ze
begreep hem volkomen. Ze keek opzij naar Richard, die ze
alleen kende van een datingsite. Hij had zich voorgesteld als
Richard Zwart.
